Om kwart over zeven staan mijn gastheer en -vrouw al op om mij een typisch Frans ontbijt te bezorgen, stokbrood met jam. Ook wordt er een flink stuk baguette met ham voor me klaargemaakt, om het Franse platteland te kunnen overleven.

Elizabeth fietst met mij mee, totdat ik weer op de route ben. Elizabeth mag dan 75 zijn, ze doet nog aan mountainbiken, trailrunnen en wielrennen, en is vorig jaar nog over de Gotthartpas gefietst, met kampeeruitrusting, en zonder accu.
Anderhalf uur en 30 kilometer verder scheiden onze wegen, waarbij ik met mijn bepakte Santos bepaald geen partij was voor haar snelle gravelbike.

Hijgend vervolg ik mijn route. Die is saai, zelfs heel saai. De hele dag gaat het door het golvend groene landschap op en neer, met als uitzondering een stukje van zeven kilometer kanaal.

De weinige dorpjes bieden ook niet veel troost.

Verder is het koud, heel koud, en af en toe regent het flink.

Een paar kilometer voor Sarrebourg kom ik een Nederlanse dertiger tegen die ook naar Basel fietst. Hij vertelt me dat hij kapot is, en een rustdag heeft geboekt. Ik voel met hem mee.
Ook mijn al te vroeg opgeblazen benen hebben er geen zin meer in, en zelfs mijn geest weet ze niet meer te motiveren. In Sarrebourg, na ca 75 km, neem ik mijn intrek in een Ibis Budget Hotel. In de volstrekt prikkelarme kamer ben ik al gauw onder zeil.
Sarrebourg is vier heuvelachtige kilometers ver weg, maar er is gelukkig een Lidl om de hoek, en het hotel heeft een magnetron. De moussaka smaakt best aardig.
Verse broodjes kan ik beter morgen halen.

Een rustdag laat ik wel aan de jeugd over, ik vertrek hier morgen weer!